Zoek binnen de webthema's
  
De Duitse bezetting begint
Verdieping
Foto's
Documenten
Tekeningen
Affiches
Geluids- en filmfragmenten
Bronnen en links
Reageer op dit thema
De Duitse bezetting begint

16 mei 1940: het bedrijfsleven ging aan de slag, de scholen openden hun deuren weer, het openbaar vervoer functioneerde normaal en de bioscopen vertoonden films als vanouds. Met vereende krachten werd de wederopbouw ter hand genomen. In de gebieden en steden waar veel oorlogsschade was geleden begon het puinruimen. Met name in Rotterdam, Middelburg en de plaatsen die in de vuurlinies van de strijd om de Grebbeberg waren gekomen, moest veel werk worden verzet.
Aan de Duitse aanwezigheid op straat raakte de burger, als men de kranten van die dagen mag geloven, snel gewend. De soldaten van de Wehrmacht hadden strikte instructies zich correct en vriendelijk ten opzichte van de Nederlandse bevolking te gedragen. De strijd van de meidagen moest zo snel mogelijk vergeten worden. Toenadering en verbroedering bepaalden de houding van de Duitsers. Op hun beurt riepen kranten hun lezers op tot een waardige en loyale houding ten opzichte van de bezetter. Zo schreef de Haagsche Courant in een redactioneel commentaar: Op ons allen rust nu een zeer belangrijke plicht. De plicht namelijk om met volkomen loyaliteit mede te werken tot het behoud van rust en orde in het bezette gebied: de plicht ook om met alle kracht bij te dragen tot het zoo normaal mogelijke verloop van het maatschappelijke leven en tegen ontwrichting daarvan te waken. Dat wil zeggen, dat men zich allereerst loyaal heeft te onderwerpen aan het gezag, dat thans boven ons is gesteld door de uitslag van den strijd.
De teneur was duidelijk: aanpassen aan de nieuwe situatie en vooral geen verzet.

Hitler benoemde dr. Arthur Seyss-Inquart tot Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied. Deze vooraanstaande Oostenrijkse nazi had een belangrijke rol gespeeld bij het Oostenrijkse verzoek aan de Führer, in maart 1938, ingelijfd te worden bij het Grossgermanische Reich. Vervolgens had hij het vak van bezetter geleerd als plaatsvervanger van de beruchte Hans Frank, de Generaal-Gouverneur van het bezette Polen. Op 29 mei 1940 sprak Seyss-Inquart in de Haagse Ridderzaal zijn eerste rede uit.
Ondanks geruststellende woorden van de Rijkscommissaris (‘Wij willen dit land en zijn bevolking noch imperialistisch in het nauw drijven noch aan dit land en zijn volk onze politieke overtuiging opdringen’), bleek al snel het tegendeel. Er werd een omvangrijk Duits bestuursapparaat gevormd en het parlement en de regionale en plaatselijke bestuurscolleges werden op non-actief gesteld. De departementen moesten hun werkzaamheden, nu de ministers naar Engeland waren vertrokken, voortzetten onder leiding van de hoogste ambtelijke functionarissen, de secretarissen-generaal. Zij stonden echter van meet af aan onder toezicht van het Duitse bestuursapparaat, dat daarnaast allerlei zaken bij “verordeningen” regelde. Met de vrijheid en onafhankelijkheid van pers en radio direct was het afgelopen. De redacties van de kranten en nieuwsrubrieken van de radio kregen nauwgezette instructies over wat van hen werd verwacht. Er was weliswaar geen censuur op voor publicatie bestemde teksten, maar wie zondigde tegen de Duitse opvattingen kon rekenen op een verschijningsverbod voor een bepaalde tijd of zelfs een definitief verschijningsverbod. Slechts bij de NSB’ers en andere Nederlandse nationaal-socialisten, opgedoken uit hun huizen, vrijgelaten uit de arrestantenlokalen waar zij op 10 mei waren ondergebracht, of boven water gekomen vanuit hun onderduikadressen, zoals Mussert persoonlijk, heersten opluchting en vreugde. Niet alleen over de zegepraal van hun Duitse vrienden, maar ook en vooral bij de gedachte: “Nu komen wij aan de beurt!”. Want bij hen overheerste de opvatting dat zij door Hitler zouden worden uitgenodigd het landsbestuur, uiteraard onder Duits toezicht en Duitse opperheerschappij, over te nemen.
Het verloop van de oorlog gaf in de zomer en de herfst van 1940 weinig reden tot optimisme bij de Nederlandse bevolking. Op 21 juni capituleerde het Franse leger. Wat de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog in geen vier jaar gelukt was, presteerde Hitler in goed vijf weken.
Nazi-Duitsland heerste niet alleen in Midden-Europa, maar bezette nu ook heel West-Europa, van het uiterste noorden van Noorwegen tot aan de Spaanse grens. Weinigen twijfelden eraan of Engeland zou het volgende slachtoffer worden. De Battle of Britain nam een aanvang. Golf na golf van Duitse gevechts- en bombardementsvliegtuigen stak de Noordzee over en ging het gevecht aan met Britse vliegtuigen. Aan de bezette westkust van Europa werden vele duizenden schepen en scheepjes gevorderd en in gereedheid gebracht om de Duitse troepen naar Engeland over te brengen. De Duitse troepeneenheden in de Nederlandse straten zongen het, luidkeels en manhaftig “… Und wir fahren gegen England!”.
De schepen zouden niet gebruikt worden. De Britse luchtverdediging, onder meer uitgerust met de roemruchte Spitfires, hield stand en na enkele maanden, waarin de Duitsers meer dan 1.700 vliegtuigen verloren, moest de luchtoorlog boven Engeland door de Duitsers worden stopgezet. Terreurbombardementen, speciaal op Londen, waar grote delen van de bevolking maanden achtereen slechts enige nachtrust konden vinden in de stations van de underground, werden nog een tijd voortgezet. Al die maanden had men in Nederland weinig hoop kunnen koesteren over het verloop van de oorlog, laat staan over een spoedige bevrijding van de Duitse overheersing. Velen bogen het hoofd en hielden rekening met een bezetting die wellicht jaren zou duren.
Toch kwam reeds in de zomer van 1940 iets van de veerkracht terug. De verdoving van de meidagen begon - zij het langzaam - enigszins uitgewerkt te raken.
Daarvoor in de plaats kwam een gekwetst nationaal gevoel; ergernis dat Nederland zijn zelfstandigheid had verloren. In deze atmosfeer ontstonden de eerste vormen van wat beschreven kan worden als symbolisch verzet. Bij nader inzien werd het aanvankelijk fel bekritiseerde besluit van koningin Wilhelmina om op 13 mei 1940 naar Londen te vertrekken als wijs en noodzakelijk beschouwd. Talrijk en vindingrijk waren de uitingen van sympathie voor de Oranjes. Op straat was veelvuldig de groet ‘ozo’ (Oranje zal overwinnen) te horen, of een variant daarop ‘jozo’(Jij ook zo optimistisch), waarop dat prompt geantwoord werd met ‘nezo’(Natuurlijk, Engeland zal overwinnen). De Duitsers reageerden aanvankelijk geïrriteerd, maar raakten niet echt onder de indruk van deze vorm van lijdelijk verzet. Dat veranderde op 29 juni 1940, de verjaardag van prins Bernhard. Die zaterdag kwam het tot grootscheepse demonstraties van aanhankelijkheid aan het Huis van Oranje. Met oranje getooid ging men de straat op, vazen met oranjebloemen stonden voor ontelbare vensters, oranjeliederen weerklonken. De Duitsers werden volledig verrast maar namen in hun streven met het Nederlandse volk te verbroederen geen maatregelen. Slechts waarschuwden zij voor strenge represailles wanneer de demonstraties zich bij de volgende verjaardag van een lid van het koninklijk huis, op 31 augustus, zouden herhalen. Voor het zover was, was het aan een ieder duidelijk: zij zouden het niet bij dreigementen laten. Op 31 augustus, de verjaardag van koningin Wilhelmina, bleef het vrijwel overal rustig.