Het persoonsbewijs
Tijdens de Duitse bezetting werd een speciaal Nederlands identiteitsbewijs ingevoerd: het persoonsbewijs (PB).
Voorzien van een handtekening, pasfoto en vingerafdruk moest iedereen ouder dan 14 jaar het persoonsbewijs bij zich hebben en het bij controle tonen. Eind 1940 werd het persoonsbewijs door de Duitsers verplicht gesteld.
De daadwerkelijke uitreiking vond vanaf april 1941 plaats. Aanvraagformulieren werden nauwgezet bewaard in de gemeentelijke bevolkingsregisters en van alle Nederlanders tezamen in een centrale archiefbewaarplaats in Den Haag.
Het werd zo mogelijk de Nederlandse bevolking aan een verscherpte controle te onderwerpen. Daarnaast hadden de Duitsers een belangrijk instrument in handen om het verzet aan te pakken. Het persoonsbewijs speelde ook een belangrijke rol bij de registratie van joden. Personen van ‘Joodschen bloede’ kregen in de zomer van 1941 op twee plaatsen in hun PB een ‘J’ gestempeld.
Lees meer
