Biografie J.L. Lentz
Nergens bestond een technisch en administratief zo perfect persoonbewijs als in Nederland. Dit was in hoofdzaak de persoonlijke ‘verdienste’ van J.L. Lentz;. Hij geldt als het prototype van de collaborerende ambtenaar. - Terug
Nergens bestond een technisch en administratief zo perfect persoonbewijs als in Nederland. Dit was in hoofdzaak de persoonlijke ‘verdienste’ van J.L. Lentz;. Hij geldt als het prototype van de collaborerende ambtenaar. - Terug
Nergens in Europa, zelfs niet in Duitsland, bestond tijdens de oorlogsjaren een identiteitsbewijs dat technisch en administratief zo perfect was als het Nederlandse persoonsbewijs (PB). Voor het overgrote deel was dat de verdienste van één man. Hij geldt als het prototype van de collaborerende ambtenaar. J.L. Lentz was hoofd van de Rijksinspectie der Bevolkingsregisters, een functie die hij al voor de oorlog bekleedde. Geboren in 1894 in Den Haag, kreeg hij op twintigjarige leeftijd een aanstelling als “schrijver” bij een hulppost van het Haagse bevolkingsregister. Vanwege zijn bijzondere ijver en bekwaamheid viel hij al snel op. De ene promotie volgde op de andere. De bevolkingsregistratie kende voor hem steeds minder geheimen. Vandaar dat hij al snel betrokken raakte bij verbeteringen van het systeem. Lentz werd de eerste inspecteur van de bevolkingsregisters. Hij ontwierp een heel nieuwe opzet voor de bevolkingsboekhouding.
Toen in 1936 het Centraal Bevolkingsregister werd opgericht, lag het dan ook voor de hand dat Lentz hoofd werd van de Rijksinspectie. Die dienst was belast met het toezicht op het nieuwe systeem. Voor zijn werk werd de ambitieuze ambtenaar bovendien koninklijk onderscheiden: ridder in de orde van Oranje-Nassau. Alle Nederlanders stonden nu centraal geregistreerd, maar het was nog steeds onmogelijk om in het dagelijkse leven zomaar iemands identiteit vast te stellen. Er waren maar weinig Nederlanders met een paspoort – er werd nog niet zoveel naar het buitenland gereisd – en bovendien was dat gemakkelijk te vervalsen. Dat was de perfectionistische en gezagsgetrouwe Lentz een doorn in het oog. Vandaar dat hij ook van harte het initiatief steunde om in Nederland een identiteitsbewijs in te voeren. Maar de politiek aarzelde. Het kabinet De Geer wees in 1940 het plan af, omdat het door de invoering van zo’n bewijs zou lijken of iedere Nederlander als een mogelijke crimineel werd beschouwd. Lentz reageerde verbaasd en vol onbegrip. Bij de Duitse bezetters vond hij wel de aandacht voor zijn ideeën. In het onderdrukkingsapparaat van de Nazi’s speelde het verplichte identiteitsbewijs (met foto) een cruciale rol. Daarom waren het ook de hoogste autoriteiten van de Sicherheitspolizei die er bij Nederlandse topambtenaren op aandrongen om een waterdicht identiteitsbewijs in te voeren. Zijn baas, secretaris-generaal K.J. Frederiks van Binnenlandse Zaken, gaf Lentz de opdracht zich in de problemen te verdiepen. Op die kans had hij gewacht. Hij was er van overtuigd dat de Duitsers de oorlog vrijwel hadden gewonnen. Een nieuw Nederland moest nu ook in de vaart der ‘beschaafde’volkeren worden opgestoten. Dat bracht uiteraard ook de invoering van een identiteitsbewijs met zich mee. Lentz ontwierp een zeer vernuftige identiteitskaart, die hij de naam ‘persoonsbewijs’meegaf. Elke poging tot vervalsing zou leiden tot onherroepelijke beschadiging van het document. Na de oorlog zei een topman van het verzet dan ook dat het eigenlijk nooit gelukt is om een vervalsing te maken die aan serieuze controle door de Duitsers kon ontsnappen. Trots reisde Lentz naar Duitsland om ook daar zijn produkt te laten testen. De experts stonden versteld: het persoonsbewijs was zelfs aanzienlijk beter dan de Duitse Kennkarte. Het PB werd dan ook zo snel mogelijk ingevoerd: april 1941. Lentz ontwierp ook het besluit voor de invoering ervan en bovendien schreef hij een dikke handleiding voor de uitvoering van dat besluit. Uit alles bleek dat Lentz geen flauw benul had welke gevolgen zijn perfectionisme zou hebben voor de vervolging van joden en verzetsmensen. Daarvoor was hij te verliefd op zijn werk. ‘Bevolkingsboekhouding is dienen’ was zijn motto. Het PB was volgens hem een zegening. Hij rekende in de handleiding af met het argument van het kabinet De Geer dat de Nederlanders toch geen volk van misdadigers waren: “Ons antwoord was en is weer, dat wij niet wensen onder te doen in geloof en vertrouwen in het fatsoen en de braafheid van ons volk en dat juist dáárom ons volk er een eer in moest stellen door het plaatsen van vingerafdrukken de misdaad te bestrijden’.
Over de centrale kartotheek merkte Lentz in naïef optimisme op: “Menig zoekverloren vriend, kennis, familielid of relatie, zal straks kunnen worden teruggevonden.”. Hij hoopte dan ook dat “het instituut” zich zou inburgeren “en allerwege de waardering vinden, welke het verdient”. Lentz, die zelf een toonbeeld was van het fatsoen en de braafheid die veel Nederlandse ambtenaren tot gewillige instrumenten van de Duitsers maakten, kreeg slechts met moeite door dat hij op die waardering niet overal hoefde te rekenen.
Tijdens enkele vergaderingen probeerden collega’s zijn ijver wat te temperen, maar Lentz zag niet in wat er verkeerd was aan het zo perfect mogelijk uitvoeren van een opdracht. Bezorgder maakte hij zich over denigrerende artikelen die er over hem in de illegale pers verschenen. Lentz had namelijk ook veel werk gemaakt van de reconstructie van twee bevolkingsregisters, in Amsterdam en Hengelo, waarop het verzet in 1943 aanslagen had gepleegd. De spanning werd hem gaandeweg teveel. Hij begon te vrezen voor zijn leven. ’s Nachts sliep hij op zijn werkkamer. Toen de spanning te groot werd, stortte Lentz in.
Tot vijf maal toe diende hij zijn ontslag in, maar dat werd door de Duitsers niet geaccepteerd. “Lentz”, zo werd hem gezegd, “een officier in oorlogstijd verlaat zijn post niet.”. Zo moest hij ook zijn medewerking verlenen aan de invoering van de tweede distributiestamkaart, eind 1943. In 1939 had Lentz ook de eerste ontworpen. Maar de opvolger diende een heel ander doel, de Arbeidsinzet. Met de nieuwe stamkaart kon er nog intensiever worden gecontroleerd. Onderduiken werd daardoor nog moeilijker.
De medewerking aan de Arbeidsinzet vormde na de oorlog één van de zwaarste punten in de aanklacht tegen Lentz. Er werd een zware straf tegen hem geëist: twaalf jaar. Uiteindelijk kwam hij er met drie jaar af omdat de rechters van mening waren dat Lentz van hogerhand geen behoorlijke leiding had ontvangen. Daardoor had zijn “professionele liefde voor de bevolkingshuishouding” tot in het extreme kunnen uitleven, met alle kwalijke gevolgen van dien.
Terug
Toen in 1936 het Centraal Bevolkingsregister werd opgericht, lag het dan ook voor de hand dat Lentz hoofd werd van de Rijksinspectie. Die dienst was belast met het toezicht op het nieuwe systeem. Voor zijn werk werd de ambitieuze ambtenaar bovendien koninklijk onderscheiden: ridder in de orde van Oranje-Nassau. Alle Nederlanders stonden nu centraal geregistreerd, maar het was nog steeds onmogelijk om in het dagelijkse leven zomaar iemands identiteit vast te stellen. Er waren maar weinig Nederlanders met een paspoort – er werd nog niet zoveel naar het buitenland gereisd – en bovendien was dat gemakkelijk te vervalsen. Dat was de perfectionistische en gezagsgetrouwe Lentz een doorn in het oog. Vandaar dat hij ook van harte het initiatief steunde om in Nederland een identiteitsbewijs in te voeren. Maar de politiek aarzelde. Het kabinet De Geer wees in 1940 het plan af, omdat het door de invoering van zo’n bewijs zou lijken of iedere Nederlander als een mogelijke crimineel werd beschouwd. Lentz reageerde verbaasd en vol onbegrip. Bij de Duitse bezetters vond hij wel de aandacht voor zijn ideeën. In het onderdrukkingsapparaat van de Nazi’s speelde het verplichte identiteitsbewijs (met foto) een cruciale rol. Daarom waren het ook de hoogste autoriteiten van de Sicherheitspolizei die er bij Nederlandse topambtenaren op aandrongen om een waterdicht identiteitsbewijs in te voeren. Zijn baas, secretaris-generaal K.J. Frederiks van Binnenlandse Zaken, gaf Lentz de opdracht zich in de problemen te verdiepen. Op die kans had hij gewacht. Hij was er van overtuigd dat de Duitsers de oorlog vrijwel hadden gewonnen. Een nieuw Nederland moest nu ook in de vaart der ‘beschaafde’volkeren worden opgestoten. Dat bracht uiteraard ook de invoering van een identiteitsbewijs met zich mee. Lentz ontwierp een zeer vernuftige identiteitskaart, die hij de naam ‘persoonsbewijs’meegaf. Elke poging tot vervalsing zou leiden tot onherroepelijke beschadiging van het document. Na de oorlog zei een topman van het verzet dan ook dat het eigenlijk nooit gelukt is om een vervalsing te maken die aan serieuze controle door de Duitsers kon ontsnappen. Trots reisde Lentz naar Duitsland om ook daar zijn produkt te laten testen. De experts stonden versteld: het persoonsbewijs was zelfs aanzienlijk beter dan de Duitse Kennkarte. Het PB werd dan ook zo snel mogelijk ingevoerd: april 1941. Lentz ontwierp ook het besluit voor de invoering ervan en bovendien schreef hij een dikke handleiding voor de uitvoering van dat besluit. Uit alles bleek dat Lentz geen flauw benul had welke gevolgen zijn perfectionisme zou hebben voor de vervolging van joden en verzetsmensen. Daarvoor was hij te verliefd op zijn werk. ‘Bevolkingsboekhouding is dienen’ was zijn motto. Het PB was volgens hem een zegening. Hij rekende in de handleiding af met het argument van het kabinet De Geer dat de Nederlanders toch geen volk van misdadigers waren: “Ons antwoord was en is weer, dat wij niet wensen onder te doen in geloof en vertrouwen in het fatsoen en de braafheid van ons volk en dat juist dáárom ons volk er een eer in moest stellen door het plaatsen van vingerafdrukken de misdaad te bestrijden’.
Over de centrale kartotheek merkte Lentz in naïef optimisme op: “Menig zoekverloren vriend, kennis, familielid of relatie, zal straks kunnen worden teruggevonden.”. Hij hoopte dan ook dat “het instituut” zich zou inburgeren “en allerwege de waardering vinden, welke het verdient”. Lentz, die zelf een toonbeeld was van het fatsoen en de braafheid die veel Nederlandse ambtenaren tot gewillige instrumenten van de Duitsers maakten, kreeg slechts met moeite door dat hij op die waardering niet overal hoefde te rekenen.
Tijdens enkele vergaderingen probeerden collega’s zijn ijver wat te temperen, maar Lentz zag niet in wat er verkeerd was aan het zo perfect mogelijk uitvoeren van een opdracht. Bezorgder maakte hij zich over denigrerende artikelen die er over hem in de illegale pers verschenen. Lentz had namelijk ook veel werk gemaakt van de reconstructie van twee bevolkingsregisters, in Amsterdam en Hengelo, waarop het verzet in 1943 aanslagen had gepleegd. De spanning werd hem gaandeweg teveel. Hij begon te vrezen voor zijn leven. ’s Nachts sliep hij op zijn werkkamer. Toen de spanning te groot werd, stortte Lentz in.
Tot vijf maal toe diende hij zijn ontslag in, maar dat werd door de Duitsers niet geaccepteerd. “Lentz”, zo werd hem gezegd, “een officier in oorlogstijd verlaat zijn post niet.”. Zo moest hij ook zijn medewerking verlenen aan de invoering van de tweede distributiestamkaart, eind 1943. In 1939 had Lentz ook de eerste ontworpen. Maar de opvolger diende een heel ander doel, de Arbeidsinzet. Met de nieuwe stamkaart kon er nog intensiever worden gecontroleerd. Onderduiken werd daardoor nog moeilijker.
De medewerking aan de Arbeidsinzet vormde na de oorlog één van de zwaarste punten in de aanklacht tegen Lentz. Er werd een zware straf tegen hem geëist: twaalf jaar. Uiteindelijk kwam hij er met drie jaar af omdat de rechters van mening waren dat Lentz van hogerhand geen behoorlijke leiding had ontvangen. Daardoor had zijn “professionele liefde voor de bevolkingshuishouding” tot in het extreme kunnen uitleven, met alle kwalijke gevolgen van dien.
Terug
