Burgemeesters in oorlogstijd
‘Zum Bürgermeister’ was het opschrift van borden die de Duitse bezetters in alle gemeenten plaatsten om zo snel mogelijk met de Nederlandse autoriteiten tot zaken te kunnen komen. In die gemeentehuizen bevonden zich, in de woorden van een Drentse dorpsburgemeester, ‘de knooppunten, waar de draden van het maatschappelijk leven samen kwamen. (...) Hier waren de sluizen, waarvan de bezetter zich bediende om een belangrijk deel van zijn voorschriften over het land uit te storten.’ Inderdaad is de gemeentelijke overheid de bestuurslaag die in het dagelijks leven het dichtst bij de burgers staat. In de vijf jaren van de Duitse bezetting zijn de Nederlandse gemeentehuizen tegelijkertijd het decor geweest van de dagelijkse ambtelijke routine en van hoogst uitzonderlijke en ingrijpende gebeurtenissen. Burgers bleven met grote regelmaat komen om geboorten aan te geven, vergunningen aan te vragen of gemeentebelastingen te betalen. Er kwamen ook nieuwe administratieve handelingen, die direct te maken hadden met oorlog en bezetting, zoals distributiebepalingen, de invoering van het persoonsbewijs, en de bemoeienis met verplichte tewerkstelling in Duitsland.
Al snel bleek dat de Duitse bezetter vastbesloten was de Nederlandse overheid te gebruiken om de doelstellingen van zijn bezettingspolitiek door te zetten. Dit leidde ertoe dat de lokale overheden werden gebruikt om de zwaarste repressieve maatregelen door te voeren: discriminatie, segregatie en deportatie van joodse medeburgers, nazificatie van de samenleving en inschakeling van de bevolking in de economie en de oorlogsvoering van Hitler’s ‘Derde Rijk’. Om dit mogelijk te maken gaf het bezettingsregime het sein tot een stapsgewijze politieke machtsovername in de gemeentebesturen. In augustus 1941 werd per decreet van de Duitse Rijkscommissaris het democratisch bestel op het gemeentelijk niveau afgeschaft. Het hoogste bestuursorgaan, de gemeenteraad, werd afgeschaft, evenals het college van burgemeester en wethouders, dat het collegiale dagelijks bestuur van de gemeente vormde. De burgemeester werd alleen verantwoordelijk: de bezettingsautoriteiten spraken openlijk over de introductie van het nationaal-socialistische ‘Führerprinzip’ in het openbaar bestuur.
In de loop van de bezetting zijn er twee vormen van nationaal-socialistische politiek ten aanzien van het Nederlandse bestuur te onderscheiden: personele en beleidsmatige nazificatie. Deze werden beurtelings toegepast: enerzijds ging het om de vervanging van voor de oorlog benoemde burgemeesters en ambtenaren door Nederlandse nationaal-socialisten; anderzijds eisten de Duitse autoriteiten dat de Nederlandse overheidsorganen allerlei maatregelen door zouden voeren die de Duitse doeleinden moesten verwezenlijken. Voor Nederlandse ambtenaren betekende dit een duivels dilemma: moesten ze in functie blijven om hun bevolking te beschermen tegen een complete machtsovername, of moesten ze hun positie in gevaar brengen door principieel verzet aan te tekenen. Nederland kende in 1940 ongeveer 1050 gemeenten en bijna 1000 burgemeesters. De Duitse machthebbers besloten tot een geleidelijke vervanging van de zittende burgemeesters door Nederlandse geestverwanten. Daarbij moesten burgemeesters die vanuit Duits perspectief dwars lagen, het eerst verdwijnen, evenals bestuurders van gemeenten die voor de bezetter van bijzonder belang waren (zoals grote steden, provinciale hoofdsteden en kustplaatsen). Uiteindelijk werd bijna de helft van het vooroorlogse burgemeesterskorps aan de kant gezet, wat inhield dat aan het eind van de bezetting zeker zo’n 70 % van de bevolking onder een NSB-burgemeester viel.
In de tweede helft van de bezetting liepen de tegenstellingen tussen de bezetter en degenen die zich tegen de onderdrukking gingen verzetten, hoog op. De gemeentehuizen werden het toneel van voordien ongehoorde verschijnselen: vervalsing van ambtelijke documenten, gewapende overvallen, gijzelingen en moordpartijen. De bezetters eisten van de Nederlanders dat ze zich meldden voor werken in Duitsland of voor het aanleggen van militaire versterkingen in Nederland. Het verzet werd gewelddadig onderdrukt en de Nederlandse nationaal-socialisten kregen wapens om daarbij te helpen. In de laatste fase van de bezetting raakte de Nederlandse samenleving steeds meer ontregeld en dreigde als gevolg van de oorlogvoering op Nederlands grondgebied een humanitaire ramp. Het lokaal bestuur was nauwelijks nog in staat de maatschappelijke desintegratie tegen te gaan. Pas na de Duitse capitulatie kon er een begin worden gemaakt met de zuivering en reconstructie van de gemeentelijke overheden, als noodzakelijke voorwaarde voor de naoorlogse wederopbouw van Nederland. Daarbij was opnieuw een belangrijke taak weggelegd voor de burgemeesters. Zij leven in de herinnering aan de bezetting voort als de categorie bestuurders die het meest dramatisch werden geconfronteerd met de dilemma’s van besturen in de bezettingstijd.
tekst: Peter Romijn
